Column

 

Eer of Euro's?

Een fijne bijkomstigheid van het studeren aan een muziekopleiding zoals op KTM in Groningen is dat je niet altijd zelf achter je optredens aan hoeft. In 2012 zat ik in het tweede jaar van de opleiding en werden ik en een aantal klasgenoten door het Impresariaat, een soort boekingsbureau dat huishield op onze school, gevraagd om te spelen op een Intercultureel Buurtfeest ergens in de stad Groningen. Ik viel in eerste instantie meteen voor het woord ‘intercultureel’. Niet zozeer vanwege de betekenis ervan, maar het woord klonk prachtig in mijn oren. Het tweede woord, buurtfeest, klonk me alles behalve prachtig in mijn oren en deed me ondanks mijn aanvankelijk enthousiasme toch twijfelen. Ik zag allereerst een braderie voor me. Vroeger dacht ik trouwens altijd dat een braderie een lange straat vol barbecues en gebraden vlees betekende, maar ten tijde van dit Intercultureel Buurtfeest wist ik inmiddels dat het een soort multi-culti feestje met versnaperingen moest gaan worden en ik kreeg daar een dubbel gevoel bij. Ik gruwel namelijk van Kumbaya my Lord - achtige fuifjes waarin mensen van allerlei etniciteiten elkaar omarmen en waarvan het Nederlandse gedeelte van het gezelschap zo goed als het kan probeert om de rest van de wereld te laten zien hoe cultureel open-minded ze zijn. Sowieso vind ik gezelligheid maar een dubieus iets, en dat komt weer omdat ik op jongere leeftijd veel te veel Amerikaanse sitcoms heb gezien. Om Maarten van Rossem te citeren: ‘Dat constante gepluk aan elkaar, dat huggen, dat is overkomen waaien uit die verschrikkelijke Amerikanse sitcoms. Ik bedoel, zei uw vader wel eens tegen u ‘Ik hou van je, jochie’ En dat jij dan zei : ‘ ‘Ik ben ook gek op jou, pa!’. Ik bedoel, dan bel je toch meteen het RIAGG? Terug naar de dag van het optreden, 2 juni 2012. Ondanks de vreselijke verwachtingen die ik had bij zo’n intercultureel buurtfuifje zei ik toe, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat ik 50 euro kreeg voor het optreden. Ik nam Abel, klasgenoot en destijds mijn vaste drummer, mee om me muzikaal te vergezellen. Het was een zonnige middag en tot mijn heugenis hoorde ik nergens het lied Kumbaya my Lord. Dat beviel me. Het was best druk en gek genoeg zelfs een beetje gezellig. Onwaarschijnlijk. Het optreden beviel ook de organisatie, want een maand later werden ik en mijn klasgenoot Tom gevraagd om in september dat jaar nog eens op te treden bij hetzelfde buurthuis en dit keer zouden we zelfs 100 euro krijgen! Wat een feest! Zelfverzekerd nog van het vorige optreden ging ik dus op zaterdag 8 september opnieuw naar het buurthuis. Ik stond er netjes op, want ik had een mooi zwart colbertje aan en ik was ook nog naar de kapper geweest de dag ervoor. Ik had mijn set tot in den treurnis gerepeteerd én ik had nieuwe snaren op mijn gitaar gezet. Ik had er zin in, maar dingen kunnen soms bizar anders lopen. Ik stapte uit bij de bushalte die recht tegenover het buurthuis stond. Ik liep het pad op. Het was allereerst niet zonnig. Het buurthuis stond er zo maar triest bij. Ik liep naar het plein waar het de vorige keer zo druk en gezellig was, maar daar was weinig van over. Het was helemaal leeg. De wind waaide door de bomen die nog vol groene bladeren zaten maar het was aan alles te merken dat de zomer bijna voorbij was. Er hing een grote grijze lucht boven me, maar dit alles was niet het grootste probleem. Het grootste probleem zag ik toen ik het buurthuis in liep waar Tom en Abel al zaten te wachten aan een tafel in de grote hal. Het probleem was dat er, buiten de organisatie en mijn twee klasgenoten, echt niemand te bekennen was. Ik snapte er niks van. Het was de vorige keer nog zo druk! Een man van de organisatie liep naar ons toe en stelde zich voor. Ik vergeet gek genoeg altijd namen van mensen wanneer ze ‘van de organisatie’ zijn en daarom gaf ik hem voor mezelf de naam die ik altijd aan mannelijke organisators geef: Organisatieman. Het kan zo simpel zijn. Organisatieman vertelde ons dat we niet buiten op het plein, maar binnen in het buurthuis gingen optreden. Ik keek nog eens rond in het buurthuis. Het zag er een beetje deprimerend uit, juist omdat met veel frisse verf op de muren was geprobeerd het er vrolijk uit te laten zien. Organisatieman vertelde dat we goed moesten letten op het tv-scherm wat aan de muur hing en wees tegelijkertijd ook met zijn vinger naar een muur waar inderdaad een tv-scherm hing. Het was erg belangrijk dat ik goed oplette tijdens zijn uitleg, zo vertelde hij mij. Ik focuste me. “Op dit tv-scherm wordt straks elke 10 minuten een film gestart. Dat is een informatieve film over deze wijk.” De bedoeling was dat alle bezoekers, waar op dat moment overigens tot in de verste verte nog geen spoor van te bekennen was, op kleine groene plastic stoeltjes die voor het scherm waren neergezet gingen zitten om te kijken en luisteren naar betoverende verhalen over de rijke geschiedenis van de wijk. “De film duurt in totaal 15 minuten en het verzoek van het voltallige bestuur van dit wijkcentrum is of jullie straks tijdens het optreden om de 10 minuten even willen pauzeren tot de film is afgelopen. Daarna mogen jullie weer verder.” ‘Vreemd’, dacht ik. Maar er was meer, zo vertelde hij gewichtig. Hij had de tv namelijk zo afgesteld dat de film 10 minuten nadat hij eindigde automatisch weer werd ingestart. Organisatieman was zelfs zo ijverig geweest in zijn voorbereiding dat tijdens zijn uitleg de film al met de nodige decibellen over de speakers knalde. De vrouwelijke voice-over (of: Voiceover vrouw, als we toch zo alleraardigst allitereren) van de film was net bezig om te vertellen dat er in ‘98 bijna 11.000 mensen in de wijk woonden, maar dat dat aantal in 2003 was gedaald tot 9.500. ‘Wat een onzin’, dacht ik. Ik rekende uit dat ik aan mijn set, inclusief het 30 minuten wachten vanwege 3 rondjes film, 60 minuten kwijt zou zijn. Dat vond ik een beetje veel, maar het leek me onzinnig om Organisatieman de film uit z’n hoofd te praten. Ik verzocht hem daarom vriendelijk om de tv tijdens de opbouw van onze instrumenten in ieder geval nog even uit te zetten, maar dat was uitgesloten. Hij zei: “Stel dat ik de film uitzet zodat jullie rustig kunnen opbouwen, stel he?’’ Ik knikte met mijn hoofd toen hij het woord ‘stel’ herhaalde. ‘’Dan kan het zomaar zijn dat als ik de tv weer aanzet als jullie klaar zijn, de instellingen voor de timer verloren gaan. Dat risico wil ik niet lopen.” Ik antwoordde: ‘Maar meneer, met alle respect: er is helemaal niemand. Niemand binnen, niemand buiten. Er is niemand hier om de film te kijken.’ Ik dacht dat ik hem had overtuigd, maar Organisatieman was in z’n hoofd alweer een stap verder dan ik. “Stel dat iemand langs het buurthuis loopt als jullie opbouwen en die film staat niet aan, stel he?’’ Hij bleef zijn best doen om te zorgen dat ik niet vergat dat hij nog steeds hypothetische situaties aan het schetsen was. Ik knikte weer. ‘’Dan lopen de mensen verder. Dan denken ze: ‘saai, niks te doen’. Dat risico wil ik niet lopen.” Ik stond versteld van het aantal risico’s dat hij inmiddels al uit de weg was gegaan. Enigszins geïrriteerd zette ik het podium op. Althans, het was niet echt een podium maar een stukje vloer waarop onze instrumenten en versterkers stonden. Ik keek steeds om me heen. Er was nog steeds helemaal niemand in het dorpshuis en we moesten toch echt al bijna beginnen. Na 10 minuten stond alles klaar en zag ik Organisatieman achter de bar staan om glazen te soppen. Hij was stukken enthousiaster dan ik. Hij floot een liedje dat ik niet kende. Ik kon nauwelijks geloven dat hij ontzettend content was met de ietwat tegenvallende bezoekersstromen, maar het leek er wel op. Ik liep naar hem toe. ‘Meneer, misschien moeten we wat later beginnen’, en ik wees subtiel met m’n hand naar de leegte. Hij ging door met het soppen van een glas, trok nog steeds een vrolijk gezicht en wachtte even met antwoorden. In de stilte die viel hoorde ik Voiceover-vrouw vertellen dat alle straatnamen in de wijk betrekking hebben op stenen, edelstenen, edelmetalen en andere scheikundige elementen. “Later beginnen? Hoezo?”, vroeg hij veel te opgewekt. ‘Er is niemand.’ Zonder echt te reageren op mijn verzoek zei hij: “Zie je die deur daar?” en hij wees naar een deur. Ik zag inderdaad de deur die hij aanwees. ‘Ja’, fronste ik. “Daarachter zijn een aantal cliënten van de GGZ leuke dingen aan het doen. Die cliënten komen hier elke woensdag, dan gaan ze tussen de middag ook samen eten. Er zitten oude mensen tussen, maar ook jonge mensen. Soms gaan ze kaarten, maar soms gaan ze oude gerechten bereiden en bakken.” Ik had geen flauw idee hoe we opeens op dit onderwerp terecht waren gekomen. “Maar niet iedereen kan veilig met kookplaatjes omgaan, dus houden we altijd een oogje in het zeil.’’ Deze toevoeging hielp me niet beter begrijpen waar hij naartoe wilde met zijn verhaal. “Ik loop wel even met je mee!” zei hij, alsof ik zojuist aan hem had gevraagd om me uitgebreid rond te leiden. Fluitend liep hij voor me aan, deed de deur open en wees met zijn hand naar de tafels waaraan inderdaad allerlei mensen zaten. Ik liep mee naar binnen. Het was best druk. Er waren dus toch mensen! “Kijk eens, ze zijn allemaal aan het … even kijken hoor ... bloemschikken!” Ik zag het, maar ik kon er niet zoveel mee. Hij keek richting de tafels en sprak de mensen toe. “Deze meneer…. Jan was het, toch?” ‘Jan, inderdaad.’ “Jan gaat straks mooi muziek maken binnen, misschien willen jullie ook wel even luisteren. Ehm… wat voor muziek maak je eigenlijk, Jan?” Niemand aan de tafel had tot nu toe nog opgekeken richting mij en Organisatieman. Ik begon wat te stotteren omdat ik ervan overtuigd was dat mijn beschrijving van mijn muziekstijl hen helemaal niets zou uitmaken. ‘Oh, gewoon ehm… gitaar….pop...een beetje zoals… The Beatles.’ Ik zei maar wat. Niemand keek, ze bleven allemaal gewoon bloemschikken. Ik voelde me inmiddels best impopulair als muzikant. Plotseling hoorde ik: “Muziek is prachtig.” Het was een vrouw die achter me een bloem aan het afsnijden was. Ze keek alsof ze niet heel erg aanwezig was. ‘Ja, zeker!’ antwoordde ik stuntelend. Het was net alsof ik bij een kapperszaak werd geknipt en de kapster me vroeg naar mijn studie en ik daar noodgedwongen een gesprek over moest voeren. Ik werd ook zenuwachtig omdat ik het ontzettend ongemakkelijk, maar vooral ontzettend random begon te vinden. Hoezo zat ik nu opeens ergens in Groningen in een oud buurthuis met bloemschikkende patiënten van de GGZ te praten over muziek, en dan in het bijzonder over muziek in het algemeen? Ik zag Organisatieman de kamer uitlopen en ik vroeg me af of ik het gesprek met de vrouw nog moest afsluiten voor ik wegging, of dat het inmiddels door een overdosis ongemakkelijkheid al was doodgebloed. Niemand zei iets. Ik hoorde in de verte weer de Voice-overvrouw: ‘In ‘98 woonden in de wijk zo’n 11.000 mensen...’ Ik maakte de zin in mijn hoofd alvast af door me te herinneren dat dat aantal in 2003 was gedaald tot 9.500. Ik besloot om de bloemschik ruimte te verlaten. “Nou…. Het was gezellig maar ik moet nu optreden!” zei ik tegen niemand in het bijzonder terwijl ik eigenlijk nog niet echt hoefde te beginnen. Ik begon te zweten. Plotseling legde de vrouw waar ik net het slechtste gesprek in mijn leven mee had haar schaar neer, stond op, legde haar hand op m’n schouder terwijl ze me aankeek en zei heel langzaam: “Geniet van de muziek jongen, want het leven duurt niet lang meer.” Ik fronste mijn wenkbrauwen. Wat bedoelde ze? Ze liep met haar zwarte handtas de bloemschik ruimte uit. Ik zag door een raam haar het buurthuis uitlopen. Waar zou ze heen gaan, dacht ik. Ze liep steeds verder richting de straat er tegenover, waar opeens een rode Qbuzz aan kwam rijden. Op een klein afstandje, nog steeds met gefronste wenkbrauwen, liep ik achter haar aan. Ze gaat zichzelf toch niet voor de bus gooien? Ik stond hinkend op twee benen in de deuropening van het buurthuis. De vrouw verdween linksaf de hoek om en liep de aankomende rode Qbuzz tegemoet. Even bleef ik stilstaan. Wat moest ik doen? 10 seconden wachtte ik, maar ik zag haar nergens meer. De bus was nu al bijna bij de halte. Ik trok pijlsnel een sprintje en voelde me alsof ik in een epische film zat. Ik rende linksaf de hoek om en stond toen stil. De vrouw was nergens te bekennen. Tom, mijn klasgenoot die ook ging optreden, riep me. Hij stond verderop bij een hekje op het plein. “Gast, wat doe je?” Ik rende naar hem toe. ‘Ik dacht dat die vrouw achter de bus verdween... Ik bedoel… Ze zijn hier aan het bloemschikken…” Hij lachte. ‘Nee maar toen liep ze naar me toe en zei iets van dat het leven zo voorbij is en ze liep hier net de hoek om richting die bus!’ Met elke paar woorden dat ik sprak praatte ik harder, in de hoop dat iemand van de organisatie me hoorde, maar die waren nergens te bekennen. Ik zette wat stappen naar links om Tom de bushalte aan te wijzen. ‘Daar liep ze heen, naar die halte, en toen... Oh wacht, ik zie haar al. Jezus…’ Ik voelde me zo stom. Ik zag haar links van ons in een door bosjes bedekt steegje staan. Ze was blijkbaar nadat ze linksaf de hoek om liep, nog een keer linksaf de hoek ingelopen. De vrouw stond daar een sigaret te roken, zo kon ik zien. Ik vond dat ik voor lul stond. Ik besloot me snel af te reageren. ‘Waar the fuck is trouwens iedereen? Ik ga zo niet optreden hoor. Er is niemand.’ Tom moest weer lachen. “We krijgen 100 euro, wat maakt het uit?” Hij rookte ook. ‘Maar hoezo is er niemand?’, zo herhaalde ik mezelf. ‘Zelfs in Stadskanaal komen er nog mensen naar een optreden. Dit slaat nergens op!’ Ik maakte mezelf opeens met elke zin pissiger. ‘Nee maar ik meen het! Ik sta hier in één of ander kloteschuur met zo’n klotefilm die zo belangrijk moet zijn en de enige mensen hier zijn bloemschikkende GGZ-patiënten die niet eens naar ons optreden gaan kijken!’ Er reed weer een Qbuzz naar de bushalte die voor ‘die kloteschuur’ stond en ik kreeg een idee. ‘We pleuren die hele shit gewoon naar buiten toe. Misschien komen er mensen op af als ze de bus uitstappen.’ Tom stemde in. Even later vonden we Organisatieman, die nog steeds goed in z’n nopjes was. Hij gaf toestemming. Een kwartier later hadden we alle instrumenten voor de deur van het buurthuis neergezet en ik begon aan mijn optreden. We stonden pal naast een kraampje waar allemaal kleurrijke ijskoude drankjes in kleine glazen stonden. Ik vroeg me af of ik er gratis één mocht pakken, er stond niemand bij. Ik durfde het niet aan en begon te spelen, we waren immers al veel te laat. We openden met Stories to Exist, wat ik toen al als mijn Evergreen zag. Ik veranderde de zin ‘and when it’s time for you to raise your fist’ in ‘and when it’s time for you to shake your tits’ en ik moest een beetje lachen. Van dit nummer ging ik meteen over naar Everett. Ik was halverwege het nummer toen opeens een Surinaamse vrouw keihard door mijn muziek heen begon te schreeuwen: ‘We hebben heerlijke Surinaamse drankjes dames en heren, traditioneel recept!’ Ze stond nu achter het kraampje waar, zoals ik al zei, allemaal kleurrijke ijskoude drankjes in kleine glazen stonden. Ze riep keihard naar twee medewerkers van het buurthuis, die pas daarvoor waren gearriveerd en naar ons optreden stonden te kijken: ‘Jij Paul? Drankje? Nee? Het is zoóóóó lekker! Edwin! Hier, kom! Wacht ik breng hem. Nee? Aah Edwin! Je ziet eruit alsof je één kan gebruiken! HAHAHAHAHA!’ Edwin en Paul zaten wat onwennig te lachen maar wilden echt geen drankje. De vrouw leek zich af te vragen waarom niemand een drankje wilde. Ik vroeg me af waarom ze haar bek niet hield. Ik keek weer voor me, we zaten nog steeds middenin het nummer. Ik zag de buurthuis medewerkers met elkaar praten en ik begon een beetje pissig te worden. Wat deed ik hier toch? Ondertussen kwam ik erachter dat het nummer veel te hoog voor me was om te zingen. Vanuit m’n andere ooghoek kwam plotseling een vrouw met een fiets op me aflopen. ‘Wat nu weer?’, dacht ik. Voor ik het wist stond ze pal naast me en ze keek alsof ik in de weg stond. Dat vermoeden werd bevestigt toen ze snel met haar fiets tussen mij en de microfoonstandaard door wurmde om naar het kraampje met Surinaamse drankjes te lopen. Ze reed met haar fiets over m’n tenen. ‘Godverdomme man!’, riep ik terwijl ik het 2e refrein had moeten zingen. Ik keek voor me. De medewerkers van het buurthuis stonden inmiddels ergens verderop met elkaar te praten. Ik zong verder. Het was vals. Heel vals. Het ging zo slecht. Ik probeerde me te concentreren. “Ja meisje natuurlijk mag jij een lekker drankje van mij!” schreeuwde de Surinaamse vrouw. Ze schreeuwde nog harder dan net. Ze was los: de fietsvrouw had blijkbaar dorst gekregen toen ze me venijnig afsneed. “Hoe gaat ie lieverd?”, riep ze hard tegen de Surinaamse vrouw. Ik vroeg me af waarom iedereen opeens zo hard stond te schreeuwen. De fietsvrouw keek naar mij terwijl ik probeerde niet vals te zingen en ze keek not amused. ‘Wat doe ik hier? Wat doe ik hier?’, zo gonsde het door mijn hoofd. Ik had inmiddels bijna boiling point bereikt, maar ik probeerde zo goed mogelijk het nummer door te komen. Nog één refrein. Kom op! PATS, klonk het plotseling. Mijn D-snaar knapte en vloog met een rotsnelheid tegen mijn hand. ‘AUW, KUT!’, riep ik in de microfoon. ‘GODVERDOMME!’ Iedereen buiten zweeg plotseling en draaide hun hoofd naar mij toe. Ik liet mijn gitaar tegen de muur vallen en liep pissig naar de achterkant van het buurthuis. ‘Ik speel niet meer. Fuck dit. Zoek maar een andere gek’, zei ik tegen mezelf. Tom liep me achterna. “Jan, gaat het?” ‘Ik doe dit niet meer, dit is fucking belachelijk. Niemand luistert, ze staan gewoon te praten over weet ik veel wat. Wat heeft het voor zin om op te treden als er niemand staat te luisteren?’’ “Gast, speel nou gewoon nog een paar liedjes. Speel nog 4 liedjes, dan ga ik spelen en dan kunnen we allemaal naar huis.” Even stond ik te twijfelen, maar ik besloot om principieel te blijven. ‘Ik ga me niet zitten te hoereren voor 100 euro, ik vind het kut dus ik speel niet meer. Ik heb niet eens een D-snaar meer. Ga jij maar lekker het clowntje uithangen.’ Ik trilde een beetje toen ik het zei omdat ik wist dat ik het voor mezelf zat te verkloten. Terwijl ik een sigaret opstak, besefte ik me wat een ongelofelijke kutdag het was. Rokend liep ik naar de voorkant van het gebouw om mijn gitaar op te ruimen. Organisatieman kwam naar me toe. “Je stopt ermee?” Het was voor het eerst dat zijn gezicht niet meer zo overdreven vrolijk stond. Ik mompelde iets en schaamde me een beetje terwijl ik mijn gitaar in de koffer deed. ‘Ja sorry, maar mijn snaar is geknapt. Ik kan niks spelen zonder die snaar.’ Stiekem was ik wel een beetje blij dat mijn snaar kapot was. Ik ging binnen zitten en hoopte maar dat Tom zo snel mogelijk klaar was met z’n optreden. Hij speelde 20 minuten, veel te kort, maar wel 5 keer zo lang dan ik. Na het optreden ruimden Tom en Abel hun spullen op. Terwijl ik stond te wachten deelde de Surinaamse vrouw haar kleurrijke en ijskoude drankjes uit, waarvan ze één in mijn handen drukte. Ik wilde hem opdrinken maar ik was nog steeds ongelofelijk pissig. ‘Wat een klote dag’, dacht ik. Ik was absoluut niet meer voor rede vatbaar. We liepen met z’n drieën richting de bushalte. Ik flikkerde mijn Surinaamse drankje in de bosjes en we stapten de bus in. Die zondag kreeg ik een mail van het Impresariaat. Ze wilden op maandag een gesprek met me over hoe de dag was verlopen. Dit was niet gebruikelijk, dus ik ging ervan uit dat ik het één en ander uit te leggen had. Ik liep die maandag hun kantoor in en ik merkte meteen dat de twee vrouwelijke werknemers niet zo vrolijk keken. Al groetend ging ik zitten op een stoel aan hun tafel. Op dat moment liep mijn mentor binnen en ging ook tegenover me zitten. Ik kan niet zeggen dat ik naar drie vrolijke gezichten keek. ‘Jan, we hebben een mail gekregen van de organisatie en die gaat voor het grootste deel over jou. De mensen daar waren eigenlijk best wel geschokt over jouw agressieve houding. Verder lees ik dat je maar drie liedjes hebt gespeeld terwijl was afgesproken dat je 30 minuten zou spelen.’ Ik vroeg me af of ze nog bozer zouden worden wanneer ik zou zeggen dat ik eigenlijk maar 2 liedjes had gespeeld. ‘Dit alles heeft natuurlijk wel invloed op de betaling.’ Godsamme, dacht ik. “Ja en nu? Hoeveel gaan ze betalen dan? 20 euro zeker?” ‘Ze zijn zo ontevreden over jouw houding dat ze je helemaal niet willen betalen.’ Ik sloeg steil achterover. “Wat? Waar slaat dat op? Dat kan toch niet?” ‘Nou ik kan het me heel goed voorstellen hoor.’ Voor de tweede keer in zeer korte tijd sloeg ik steil achterover. Of eigenlijk, voor de derde keer. Want in juni werd ik nog verbannen voor het leven van een festival in Drenthe nadat ik aan het einde van een buitenoptreden mijn gitaar vanaf het podium sierlijk op een hoopje gras gooide. Ook toen was iedereen en z’n moeder geschokt, ook toen waren de dames van het Impresariaat niet blij en ook toen kwam de betaling in het geding. ‘Jan, het kan soms misschien niet helemaal lopen zoals je wilt. Maar dat betekent niet…’ Ik moest denken aan het refrein van een liedje wat ik in groep 8 van de basisschool met de hele klas moest zingen na de tsunami in Sri Lanka. Het nummer heet overigens Als je iets kan doen van Artiesten met een hart. Ik raad jullie aan om het niet te luisteren. ‘Maar dat betekent niet dat je kan lopen vloeken en dat je met dingen kan gaan gooien. Dat kan echt niet!’ Mijn mentor knikte instemmend. ‘Dit had ik niet van je verwacht, Jan!’ Het was alsof ik 12 was en ze me hadden betrapt toen ik stiekem stond te roken. “Maar er was vrijwel niemand daar, en toen er iemand was reed die persoon met z’n fiets over m’n tenen heen. Eerst stonden we binnen waar we om de haverklap moesten stoppen met spelen vanwege een of andere film die ze draaiden en buiten zat een vrouw de hele tijd door mijn muziek heen te schreeuwen. Wat moest ik dan?’ “Je moest gewoon rustig blijven Jan. Je hebt die mensen daar ontredderd achtergelaten.” Ja m’n reet, dacht ik. ‘Het enige wat wij voor jou kunnen doen is het vergoeden van de reiskosten die je zaterdag hebt gemaakt.’ Ik voelde me pissig. Ik wist zeker dat als ze bij het optreden geweest waren, ze mij tot op zekere hoogte hadden kunnen begrijpen, maar nu was het mijn woord tegen dat van de organisatie. Principieel blijven, dacht ik bij mezelf. “Nee hoor, dat hoeft niet.” Ik zat weer net zo principieel te doen als toen ik die zaterdag besloot niet verder op te treden. M’n mentor liep boos het kantoor uit. Ik ook, maar wel de andere kant uit. Daar stond ik met m’n principes. Op zaterdag 100 euro gage en nu 10 euro reiskosten misgelopen. Ik werd er al met al niet veel rijker op met mijn principes en mijn driftbuien. Wist u trouwens tot slot dat het aantal inwoners van de wijk waar het buurthuis zich bevindt de afgelopen jaren redelijk stabiel bleef, in tegenstelling tot de gemoedstoestand van een opgefokt muzikantje op een zaterdag in september 2012?